As seen in De Standaard. By Wouter Woussen.

IN HET SPOOR VAN DE WOLVEN

Naarmate Europa verwildert, met oprukkende wolven, wilde zwijnen, reeën en edelherten, wordt het ook aantrekkelijker als safaribestemming. Dat is te zeggen: voor natuurliefhebbers met volharding en realistische verwachtingen.

Ik lig op mijn rug aan de rand van een ravijn. Het is eind maart, het gras waarop ik lig is nog dor, de bergen op de achtergrond zijn besneeuwd, maar in het dal bloeien viooltjes, fluit de tjiftjaf en vliegen boerenzwaluwen. Vanuit de diepte waait de geur op van jeneverbesstruiken die een hele dag zon hebben gehad, en af en toe weerklinkt het geklingel van een bel rond de nek van een paard. De grazende paarden zijn met het blote oog net zichtbaar. Met een verrekijker zoek ik tevergeefs naar ander leven.

In het Nationaal Park van de Abruzzen, Lazio en Molise leven edelherten, reeën, wilde zwijnen, dassen, hazen, stekelvarkens wier voorouders hier door de Romeinen zijn uitgezet, steenarenden die broeden op kliffen, en bruine beren die al eeuwen geïsoleerd zijn van andere Europese populaties. 

Dit gebied in centraal-Italië is ook een van de weinige in West-Europa waar sinds de laatste ijstijd onafgebroken wolven hebben geleefd, terwijl ze elders succesvol werden uitgeroeid. In de jaren zeventig waren ze nog met een honderdtal. In 1976 werden ze bij wet beschermd. Vandaag verspreiden hun nakomelingen zich via het westen van de Alpen weer over Europa, tot in België.

Met een gids, Valeria Roselli, heb ik hier twee dagen wolven lopen zoeken. We reden over verlaten wegen langs een verbaasde bosuil op een tak in de berm. In de ochtendschemering zagen we nerveuze jonge edelherten door dorpen dwalen. We liepen door een bergweide die een wilde tuin leek, met geel bloeiende kornoelje, wilde rozen en een bladerloos bloeiende sleedoorn. We zagen een brutale vos die terugkwam van een nachtelijke tocht 

 

door de vallei en hoorden honden aanslaan, in een golf die van erf tot erf liep. In de modderige rand van een plas zagen we een eenzame pootafdruk die veelbelovend leek, tot we een oude dorpeling met een speelse Duitse scheper de helling zagen afdalen. Aan de voet van een muurtje, dat de hellende wei in terrassen verdeelt, zagen we het geraamte van een paard, uitgeschud als een lugubere legpuzzel. Wolven hebben het hier vorige winter in het nauw gedreven. Op sneeuwschoenen trokken we tussen eeuwenoude beuken met lange baarden van korstmos naar een herdershut op tweeduizend meter hoogte, waar we een koude nacht doorbrachten bij het brommen van een dieselgenerator. Daar zagen we sporen, maar geen wolven. Toen ik opmerkte dat het wild hier handig gebruikmaakt van mensenpaden, wees Valeria mij erop dat het eerder andersom is. Hier wonen al langer wolven dan mensen.


HET VERSLINDEN VAN EEN KOE

In het park liggen twee dozijn dorpen van een paar honderd tot een paar duizend inwoners. Het zijn levendige dorpjes met restaurants en barretjes, waar Valeria begroet wordt als een familielid. Langs de wegen lopen grote gele zwerfhonden en staan bordjes die waarschuwen voor overstekende beren. De voorbije zomer werd er nog een berin doodgereden. Er zijn geen honderd beren meer. Ze eten insectenlarven en fruit. Als ze vlees eten, zijn het meestal karkassen of onbeveiligde kippen. Eén van de beren, een stevige man die Mario heet, zoekt geregeld de dorpen op. In de zomer van 2017 drong hij binnen in een huis. De bewoner sloeg alarm, het hele dorp liep uit, de politie schoot in de lucht en Mario zat als een bange kleuter in een hoek, zijn klauwen over zijn oren en oogjes gevouwen, tot de menigte werd weggestuurd om het dier de vrije aftocht te geven. Sindsdien heeft Mario een halsband met een zender en een persoonlijke boswachter die hem in de gaten houdt.

Valeria komt uit de streek. Ze kent niet alleen de mensen in de dorpen, maar ook de bospaden, de bergen, een oude beuk waar beren zich krabben, een wolvendrol die al meer dan een week ostentatief op de kruising van twee paden ligt. Ze lijken op hondendrollen, maar dan met haren erin – hondenvoer bevat geen haar, prooidieren hebben dat wel. Valeria kan aan de haren zien wat een wolf gegeten heeft: zwijn, hert, haas.

In het dorp Villetta Barrea stelde ze mij voor aan een van de laatste landbouwers binnen het park, een biologische kaasboer die Claudio Di Domenico heet. Hij boert met liefde en gevoel voor detail. De paarden die ooit zwaar werk in de bergen deden, genieten van hun oude dag op het erf. In de raamloze stal waar zijn schapen overwinteren, heeft hij een ingekaderd berglandschapje gehangen. Elk jaar verliest boer Claudio zes procent van zijn schapen aan de wolf. In november doodde een troep wolven een roodbonte koe van veertien maanden oud, afstammend van een prijskoe en een dure Duitse stier. Het dier woog 450 kilogram. Een natuurfotograaf uit de streek, Bruno D’Amicis, wilde bij het kadaver een wildcamera hangen, maar kwam te laat. Op zes uur tijd was de hele koe verslonden.

LANDSCHAP VAN DE ANGST

De overheid vergoedt zowel de dode schapen als die ene koe, maar die laatste was veel meer waard dan de schadevergoeding. Claudio’s vader, Vincenzo, die kort voor de Tweede Wereldoorlog geboren werd, herinnert zich hoe je vroeger van de overheid net geld kreeg voor een dode wolf – volwassen vrouwtjes waren het duurst. Tot de jaren vijftig schoot je een wolf, sloeg je zijn huid over je schouders en trok je van hoeve tot hoeve. Elke buur gaf iets. De strijd tegen de wolf was persoonlijk: in het arme Italië van die tijd voelde een geit of schaap verliezen aan de wolf aan als een aanslag op het eigen gezin.

‘Ik houd van wolven’, zegt Claudio. ‘Het zijn onze wolven en we zijn er trots op dat ze hier altijd zijn blijven bestaan, maar ik zou niet weten waarom ik ze te eten moet geven.’ Een groter probleem heeft hij met de edelherten, die in de jaren zeventig en tachtig in het park zijn uitgezet, nadat ze er uitgestorven waren. Tevergeefs probeert hij zijn hooiland tegen hen te beschermen met kilometers elektrische draad. Hij vreest dat de herten de kwaliteit van het hooi doen achteruitgaan, door de malse kruiden weg te grazen voor ze zaad kunnen vormen.

Dat de herten zijn schapen onrechtstreeks beschermen tegen de wolf, stemt Claudio milder. Het seizoen van de dode schapen duurt van augustus tot eind oktober. In het voorjaar kunnen de wolven jonge hertenkalfjes pakken, na oktober hertenbokken die door de paringstijd uitgeput zijn. De impact van de wolven op de herten is minder duidelijk. Ecologen kennen het principe dat ‘landschap van de angst’ wordt genoemd: door de aanwezigheid van roofdieren, gaan prooidieren zich anders gedragen. In het Amerikaanse Yellowstone National Park heeft de herintroductie van wolven in 1995 geleid tot herbebossing, omdat grazende herten plaatsen gingen vermijden waar ze vroeger alle jonge boomscheuten hadden vernield. Of dat fenomeen goed is om conflicten tussen mensen en wild te vermijden, is niet zeker.

 


Een kenner met gevoel voor muziek zou weinig moeite hebben om ze te tellen. De jonge wolven klinken opgewonden. Wanneer het gehuil een eerste keer uitsterft, horen we het verschrikte geblaf van de reeën die we net zagen, daarna weer de wolven. Het geluid klinkt betekenisvol en vertrouwd. Wolven leven in gezinnen, werken samen, zijn intelligent en dodelijk, net als wij. Hun stemmen hebben iets menselijks, net als hun manier om gewoontes door te geven, gevormd door het landschap waarin ze leven. Op de nabijgelegen Monte Camosciara leeft een wolvenroedel die als enige edelherten van de kliffen jaagt om ze te doden, en dat wellicht al honderden generaties doet.

Van Bruno D’Amicis, de fotograaf die te laat was bij een dode koe van boer Claudio, hoor ik achteraf dat het soms beter is wolven te horen dan ze te zien. ‘Meestal zie je vanop grote afstand een grauwe, hondachtige schim wegglippen. De echte ervaring is dat je een landschap met ze deelt.’ Ik heb niet het gevoel dat ik getroost word. Hij heeft gelijk.

MEEHUILEN MET DE WOLVEN

Het wordt kil op de heuveltop waar ik naar wolven lig te speuren. Het duister valt. Met een infraroodcamera hebben we behalve de paarden nog twee warme lijven gezien: een koppel onbekommerd grazende reeën die we met de verrekijker niet hadden opgemerkt. Het is twee dagen voor vollemaan. Ze verdwijnt regelmatig achter een wolk. De laatste kans om een wolf te zien is voorbij. Valeria gaat wat verderop staan met een megafoon en speelt het opgenomen geluid af van een solitaire wolf, een vreedzame contactroep, hopend op antwoord. We zijn erop voorbereid dat het niet altijd werkt. Als de wolven een vallei verderop zijn, antwoorden ze niet. Soms doen ze dat wel, maar hoor je ze niet of maar een uur later, wanneer je al onderweg bent naar de bewoonde wereld.

Vandaag antwoorden ze onmiddellijk met een meerstemmig overslaand gehuil. Het klinkt dichterbij dan de klingelende paarden. We horen het verschil tussen het hoge gehuil van de jongen en dat van de volwassen dieren.

Wanneer Valeria enkele dagen later de beelden bekijkt van een wildcamera die ze op een van de bergpaden heeft achtergelaten, zien we vooral babbelende Italianen in kleurrijke wandelpakken. Wij staan er ook op. En, rond schemertijd, twee grijze wolvenschimmen, gevolgd door een derde. We zijn geklopt op terreinkennis. Ze hadden ons de hele tijd in de gaten.

Wouter Woussen - De Standaard, 30 november 2019

*Read the full article here or download the pdf here